Vrije plaats Pastorij
05/30/2018
Onder #pvfopdeweegschaal vindt u via Facebook het relaas van een brievenactie aan het adres van minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Vandeurzen. Medewerkers uit 28 organisaties sloegen de handen in elkaar en schreven een 1000-tal brieven aan zijn adres. De actie wil de knelpunten binnen persoonsvolgende financiering aankaarten. De visietekst 'Perspectief 2020', geschreven door minister Vandeurzen, kent zijn praktische uitrol in de persoonsvolgende financiering. De uitrol kent echter nog veel tekorten waardoor de doelstellingen (eigen regie voor de persoon met een handicap, goed geïnformeerde gebruikers en regelluwte) niet bereikt worden en tegelijk zorgen voor schrijnende toestanden, ons zorglandschap onwaardig.

De brief:

Geachte mijnheer de minister,

1 januari 2017 was D-day voor de sector ‘Personen met een handicap’: de start van persoonsvolgende financiering, eigen regie voor personen met een handicap. De verwachtingen lagen hoog maar de realiteit lijkt anders uit te draaien. Na anderhalf jaar persoonsvolgende financiering maak ik de balans op van een financieel systeem dat steeds verder afglijdt van de doelstellingen van Perspectief 2020. Een resultaat dat kwalitatieve zorg en ondersteuning voor onze cliënten op de helling zet.

Ik ben zo vrij een aantal knelpunten aan te kaarten:

  • PVF ging van start zonder de beloofde herverdeling voor de organisaties. Samen met mijn collega’s hoopte ik om eindelijk tot een evenwichtige verdeling van de middelen in de sector te komen. Gelijke budgetten voor gelijke zorgzwaarte. Omdat het resultaat van de inschattingen (door de organisaties) niet strookte met het beeld dat de overheid van de sector heeft, werd de herverdeling zonder pardon geschrapt. Maar toch ging PVF van start. Ondertussen werkte u een alternatief uit in twee fases, waarbij er geen enkele garantie is dat cliënten ook effectief meer budget zullen krijgen indien ze er recht op hebben. Budgetten die moeten dalen, zullen sowieso aangepast worden. Het zorgzwaarte-instrument dat de basis vormt voor de budgetbepaling wordt herwerkt maar noch u, noch de organisaties hebben enig idee welke effecten dit zal teweegbrengen. Het instrument kan ook niet uitvoerig getest worden, want u wil er reeds 1 januari 2019 mee van start. Welke gevolgen zal dit hebben voor de personeelsbezetting?

  • De personele middelen die voor 2017 mochten ingezet worden, zullen (volgens de infosessies van het VAPH in maart) pas bekend gemaakt worden in zomermaanden 2018. Hoe kan mijn werkgever een betrouwbare begroting presenteren? Hoe kan ik de zekerheid hebben dat mijn werkgever financieel gezond blijft en toekomstplannen kan maken?

  • Verschillende organisaties betaalden in het vroegere subsidiedossier (pré-PVF) een deel van het personeel van de bijdrage van de cliënten (gekend als ‘bijdrage A’). Bij overschakeling naar woon- en leefkosten mag dit niet meer. Dit betekent dat al deze organisaties dit verschil moeten wegwerken. Dit zou gelijk staan aan een verlies van 900 voltijdse jobs in de sector personen met een handicap in Vlaanderen en dus een substantieel verlies van expertise.
  • Bij de omschakeling naar PVF werd de meerwaarde van kortverblijf uit het oog verloren. Zij die er in het laatste jaar FAM een beroep op deden kregen middelen toegekend. Anderen, met even hoge noden, bleven in de kou staan. Het duurde anderhalf jaar om meer duidelijkheid te brengen. Nu kan men een beroep doen op kortverblijf via RTH, maar kan men nog steeds niet dicht bij huis terecht omdat de meeste organisaties hun contingent aan RTH-punten reeds volledig ingezet hebben. Zal er dan volgend uitbreidingsbeleid wel tegemoetgekomen worden aan deze vragen?

  • Voor de berekening van woon- en leefkosten analyseerden organisaties hun kosten, een tijdrovende administratieve opdracht waar zeer veel medewerkers bij betrokken waren. Tijd die naar zorg en ondersteuning van onze cliënten had kunnen gaan. Na anderhalf jaar PVF wil u deze inspanningen overboord gooien en een formule invoeren die ingaat tegen elk principe van sociaal ondernemen. Zullen ook deze inspanningen met terugwerkende kracht tenietgedaan worden?

  • Bij de start van PVF wou het VAPH niet langer zijn ‘OCMW-functie’ opnemen. M.a.w. het VAPH schrapte het gereserveerd/beschermd zakgeld van cliënten waardoor dit nu ook kan aangesproken worden voor de verblijfsfactuur. Een tekort voor de verblijfsfactuur wordt dus niet langer bijgepast door het VAPH. Maar door wie dan wel? Verschillende van de cliënten kampen met een maandelijks tekort waardoor diverse (essentiële) zaken moeten teruggeschroefd worden. Ook cliënten die zelfstandig wonen kampen met armoede door een te laag vervangingsinkomen om te kunnen spreken van een kwaliteitsvol leven, inclusie of burgerschap. BOB of het vrij besteedbaar budget binnen PVF worden, begrijpelijk, (te) vaak ingezet ter aanvulling van het te lage inkomen in plaats van er laagdrempelige zorg mee te organiseren. Opnieuw leidt dit tot minder middelen voor gespecialiseerde zorg en dus minder werkzekerheid voor medewerkers binnen de sector personen met een handicap. Nu suggereert u om zelf een solidariteitsfonds te organiseren. Het lijkt mij niet opportuun om de armoede te herverdelen. Een herziening van de inkomens van personen met een handicap is hier aan de orde.

  • Dan zijn er nog de automatische toekenningsgroepen. Voor maatschappelijke noodzaak (dossiers waarbij er sprake is van misbruik of verwaarlozing) is er bij de ziekenfondsen sprake van wachttijden tot 8 maand voor de opmaak van het dossier. Het VAPH spreekt van nog 2 extra maanden voor de afhandeling ervan. De cliënt zit dus 10 maanden vast in een onaanvaardbare situatie. Minderjarigen die automatisch een budget krijgen voor de overgang naar meerderjarigen krijgen slechts een deel van het budget dat ze nodig hebben: ontoereikend om hun zorg te organiseren. Noodsituatie, tot slot, is een krachtige procedure voor plotse wijzigingen in een zorgsituatie, maar tegelijk ligt de lat wel heel hoog. Zij die niet in aanmerking komen voor een noodsituatie maar toch in hoge nood zijn, komen in prioriteitengroep 1 terecht: de wachttijd bedraagt daar ondertussen al meer dan 3 jaar.

  • De communicatie over PVF en alle wijzigende regelgeving die ermee samengaat gebeurt tot vandaag nog steeds niet adequaat. Net aan de start van de kerstvakantie 2017 werden de brieven bv. verzonden die melding maken van de herberekende budgetten (op basis van in- en uitstroom uit de organisatie in 2016). Voor sommige mensen betekende dit een enorm verschil. Tijdens de kerstvakantie was het VAPH niet bereikbaar, na de kerstvakantie was men niet bereid om deze verschillen aan de persoon of zijn netwerk uit te leggen. Organisaties konden de gewijzigde budgetten in de GIR (Geïntegreerde Registratietool van het VAPH) pas waarnemen vanaf januari waardoor ook zij geen antwoord konden formuleren. Dit bevordert de vertrouwensrelatie tussen organisatie, medewerkers en cliënten niet. Tijdige communicatie op maat is noodzakelijk.

  • Het aantal aanvragen voor rechtstreeks toegankelijke hulp (zowel ambulant/mobiel, dagbesteding als verblijf) stijgt o.a. doordat steeds minder mensen toegang krijgen tot een persoonsvolgend budget, maar de middelen RTH zijn zo goed als overal uitgeput. Ondank de beperkt beschikbare middelen RTH trachten organisaties hiermee een breed publiek te ondersteunen. RTH wordt op heden te vaak gehanteerd als wachtrij naar een persoonsvolgend budget en schiet op die manier zijn tweeledige doel voorbij, zijnde naast al een beetje ondersteuning voor diegene die wachten, ook ondersteuning bieden aan die personen die voldoende geholpen zijn met RTH. Perspectiefplan 2020 zette in op een én-én verhaal: regulier waar mogelijk, speciaal waar nodig via én RTH én PVF.

  • Ook de vragen naar niet-rechtstreeks toegankelijke hulp blijven binnenstromen, maar zonder budget kan men geen ondersteuning krijgen. Vandaag staan reeds vele bedden leeg (voornamelijk door overlijdens) en zijn er ondersteuningsplaatsen beschikbaar in diverse organisaties wat onvermijdelijk zal leiden tot een afbouw van personeel. Een pijnlijke vaststelling voor de meer dan 14.000 wachtenden op de wachtlijst.

    Ik wil geenszins terug naar de periode voor PVF en ondersteun nog steeds de doelstellingen van Perspectief 2020. Meer regie voor de cliënt was een lovenswaardige omslag binnen de sector maar is te vaak nog dode letter door ontoereikende budgetten. Meer regelluwte en een faciliterende overheid was en is ook noodzakelijk, maar raakt bedolven onder de nood tot controle en het opstellen van eindeloze reeksen van regels en afspraken die sociaal ondernemerschap onmogelijk maken.

    U begrijpt dat ik mij zorgen maak over de toekomst van de sector, de toekomst voor de huidige cliënten en de toekomst voor diegenen die nog aan het wachten zijn. Met enige aandrang vraag ik dan ook om de huidige regelgeving af te wegen tegen de principes zoals vooropgesteld in ‘Perspectief 2020’ en vraag ik om een waardig antwoord op de geformuleerde knelpunten. Ik geloof erin dat er op deze manier kan gezorgd worden voor werkzekerheid, behoud van expertise en vooral ook een passende zorg en ondersteuning voor de huidige cliënten maar ook voor de meer dan 14.000 wachtenden in Vlaanderen.

    Hoogachtend,